Oudere verhalen

Nóg knapper

Omg. Kumasi – Ghana

Bij Alpha Windscreen lag het terrein vol met autoruiten. Bij God is Everything Car Parts stonden alleen maar portieren, keurig gesorteerd in links-rechts en voor-achter. Een collega verderop deed in remschijven: stellages vol en keurig in stapeltjes van vier. Benzinetanks. Accu’s. Uitlaten. Autobanden – alleen de banden, want voor een setje velgen moet je weer bij iemand anders zijn.
Toen we Kumasi zojuist aan de noordkant verlieten, passeerden we kilometerslang alleen maar bedrijven die gespecialiseerd waren in auto-onderdelen.
‘Auto-delen’ zou je beter kunnen zeggen: honderden stijf tegen elkaar aan geparkeerde motorblokken met alles erop en eraan; eindeloze rijen achterassen met wielen en al; ophangingen, inclusief draagarmen, veren en schokbrekers. Op het dak van een bedrijf stonden wel dertig cabines van diverse vrachtwagens op een rij – kant-en-klaar, alsof ze zo van een vrachtwagen waren afgezaagd.
Niet dat je het zou willen, maar ik denk dat het in theorie mogelijk is om een complete auto samen te stellen uit alle onderdelen die langs de noordelijke uitvalsweg van Kumasi te koop waren.

Inmiddels hebben we de afslag richting Tamale genomen, maar het schiet nog steeds niet op.
Hoewel we ons in het centrum van Ghana op maximale afstand van welke grens dan ook bevinden, moeten we regelmatig stoppen voor de douane. Eerst dacht ik dat het een gewone politiecontrole was waarbij men toevallig alleen maar customs-bordjes voorhanden had, maar het zijn wel degelijk douane-checks.
Bij de wegversperring waar we nu alweer een tijdje staan te wachten, staat behalve customs zelfs douane op de borden. Politie of douane, voor de zogenaamde hawkers is het de ideale plek om koopwaar te slijten. De gebruikelijke waar trekt weer voorbij de ruiten van onze bus. Ik koop een krant van een van de jongens, waarop meteen nog twee krantenverkopers op het geopende raampje af komen.
We staan naast een busje met op de zijkant in grote letters: JOHANS KLUSBUS GOUDA. In Ghana zie je regelmatig auto’s rijden met Nederlandse teksten erop: voor ons in de rij staat een vrachtwagen van Frans Maas, en gisteren zagen we ergens Het Limburgs Dagblad geparkeerd staan.
Johans Klusbus is zo zwaarbeladen dat de achterbumper maar net boven het asfalt zweeft. De achterklep staat halfopen, de achterbank is eruit gehaald en met touwen achteraan de bus gebonden. Er zal binnenin iets worden vervoerd waardoor het noodzakelijk was dat het interieur tijdelijk werd gedemonteerd. Ongetwijfeld is het busje ten tijde van Johan ook niet verwend, maar het zal met weemoed terugdenken aan de jaren dat het van de ene klus naar de andere door Gouda tufte.
Voor ons raam staat een jonge vrouw met een schaal met kleine, lichtgroene potjes. Aloë Vera staat erop. Ze wijst beurtelings naar mij en naar de zalfjes. Aangezien net een van de agenten met de papieren van onze chauffeur is weggelopen, kan het raam nog wel even open.
Het meisje valt met de deur in huis en lepelt een lange lijst met kwalen op waartegen het zalfje helpt.
                  ‘And it will also make you very handsome,‘ zegt ze tot slot.
Ik doe net alsof ik diep verontwaardigd ben.
                  ‘Do you think I need something to make me handsome?‘ vraag ik.
Ze kan een glimlach niet onderdrukken en kijkt me stralend aan.
                  ‘You are very handsome already, zegt ze.
                  But this will make you even more handsome!
Daarna houdt ze het niet meer en schatert ze het uit. Onder het open raampje van onze bus staat ze te gieren van het lachen. Met heel haar lichaam. Zoals alleen Afrikaanse vrouwen met heel hun lichaam kunnen lachen.


[Bovenstaand verhaal is een fragment uit het boek Mosesvogels – een rondreis door Ghana.]