Oudere verhalen

Modderfiguur

Maleisië – Pulau Tiga

Mijn vrouw en vakantievriendin Jacoline hebben gisteravond besloten dat we met z’n drieën naar de modderbaden boven op de vulkaan te gaan. Inderdaad, ik moet mee.
Nadat onze gids op Pulau Tiga gisteravond terloops de modderbaden noemde, is het geen seconde bij me is opgekomen dat er zelfs maar één weldenkend mens, laat staan meer dan één, dit uitje serieus zou overwegen. Kleding die je aan het avontuur blootstelt, zo vertelde de man, kun je definitief afschrijven. Witte reuzen, antioxidanten en enzymen ten spijt: je badkleding zal door de verwoestende werking van de zwavel nooit meer dezelfde zijn. Merkwaardig, dacht ik nog, dat dezelfde smurrie die je kleren wegvreet, zo goed is voor je huid.
Na het modderbad, zo ging de gids verder, loop je in besmeurde toestand het hele stuk terug naar het strand, waar je in zee de modder van je lijf spoelt.
Mijn laatste restje tegengas tegen het plan wordt door de dames van tafel geveegd met het argument dat een en ander zeer heilzaam zou zijn voor het lichaam. En voor de geest, Jan – ook voor de geest! Het laatste verzinnen ze er volgens mij ter plekke bij. Heel langzaam, maar ook heel zeker, bekruipt me het gevoel dat ik het slachtoffer van een complot aan het worden ben, beter gezegd: al geworden ben. 
Verder wordt door de beramers van dit onzalige plan benadrukt dat het effect op de huid vooral is dat deze er ‘zeer aaibaar’ van wordt. Vooruit dan maar. Welke man zou na dit laatste argument niet één morgen van zijn vakantie opofferen om in het gezelschap van twee vrouwen optimale aaibaarheid te bereiken?

Op het gladde pad dat vanaf het strand naar de vulkanische bronnen omhoog leidt, worden we ingehaald door een groep Aziaten: drie vrouwen en een man. Gesterkt in de gedachte dat er meer mannen zijn die voor de numerieke meerderheid van het zwakke geslacht zijn gezwicht, glibber ik verder omhoog, mijn aanstaande vernedering tegemoet.
Hoe dichter we bij de baden komen, hoe grijzer het om ons heen wordt. Op de plaats van bestemming is het is één grote, grijze blubberzooi. In de vijvertjes voor ons borrelen lobbige gasbellen omhoog. In de grootste poel hangen de dames die ons voorbij zijn gelopen al tot aan hun kin in de blubber. De man heeft zijn kleren nog aan en staat met een stok in de hand aan de kant. Blijkbaar zijn de randen zo glibberig dat je er nauwelijks op eigen kracht uit kunt komen. Erin komen is geen probleem want het scheelde niets of Jelly was, iets vroeger dan gepland, zo vanaf de kant de blubber ingegleden. Nadat Jelly en Jacoline in de smurrie zijn afgedaald, maak ik nog een paar foto’s van het duo, waarna ik het cameraatje veilig opberg. Dan laat ik me ook in de vette grijze drab zakken.
Nee zeg, wat er dan met je gebeurt!

Ik zit nog geen tien seconden in de modder of ik weet dat dit het heerlijkste is dat me in jaren is overkomen: de sensatie van een bewuste afdaling in een blijkbaar geaccepteerd decorumverlies is heerlijk, sensueel, smerig en banaal – alles tegelijk. Ontwapenend tot in je bilnaad. Ik voel me een peuter die een halve pot hazelnootpasta over zijn gezicht uitsmeert. Een varken, dat ben ik. Ik voel de drek in al mijn naden en kieren – zou dit de reden zijn waarom baby’s vaak in een barstensvolle poepluier nog vrolijk een uurtje kirrend en lachend liggen te kroelen?
De grootste sensatie is de opwaartse kracht, is gelijk aan het gewicht van de verplaatste modder. Ik ben zwaar, maar blubber is nog zwaarder. Het is niet mogelijk om verder dan je borst te zakken. We hebben ooit in de Dode Zee gedobberd, maar het drijvend vermogen is hier groter – of wordt de opwaartse kracht geholpen door de viscositeit die hier vele malen hoger is? Het is een rare gewaarwording om moeizaam door de trage massa te ploeteren, en je uiteindelijk maar neer te leggen bij het onvermogen om in het gewenste tempo vooruit te komen. Is het dan toch heilzaam voor de geest?
De Koreaanse dames – we hebben zojuist gevraagd waar ze vandaan komen – zijn gezellig naast ons komen hangen. Het is bekend dat, bij het ruimschoots voorhanden hebben van smerigheid, peuters en kleuters bij voorkeur elkaar eronder smeren. Ook hier nodigt ons gezamenlijk verblijf in het modderbad uit tot wederzijdse dienstverlening. Een van de Koreaanse vrouwen heeft Jelly al te grazen en masseert en wrijft dat het een lieve lust is. De man aan de kant heeft nog steeds de stok in de hand waarmee hij ongetwijfeld van plan is straks de dames aan wal te trekken. Al voelt hij geen blubber in zijn kruis, hij heeft minstens zoveel plezier als zijn landgenoten. Zo zie je maar dat je je niet hoeft te laten vernederen om in het bijzijn van een paar charmante vrouwen een leuke morgen te hebben. Aan de andere kant: hij weet niet wat hij mist.
Mijn vrouw houdt het als eerste voor gezien. Nadat ze tot twee keer toe vanaf de glibberige rand is teruggegleden schieten de Koreaanse dames met een voor de trage massa verbluffende snelheid te hulp. Om van onderaf te duwen proberen ze met zijn drieën vat op de gladde benen te krijgen. Een van de vrouwen wordt door de man op de kant getrokken om daar een extra helpende hand te bieden. Ik was al redelijk tevreden over ons uitstapje, maar dit is verreweg het leukste onderdeel van de hele voorstelling.
Mij bewust van de even fotogenieke als deplorabele toestand waarin we verkeren, vraag ik de man met de stok of hij een foto wil maken. Op mijn aanwijzingen haalt hij mijn cameraatje uit de plastic zak. Zoals het Aziaten betaamt bij het zien van een camera, raken de Koreaanse vrouwen nu helemaal opgewonden. Enthousiast komen ze met zijn drieën naar me toe geroeid om samen met mij te poseren: op de foto met een blanke man is een buitenkansje, zelfs al is hij nu eventjes niet zo blank. Met een half oog op de camera gericht gaan de dames zich volledig aan me te buiten. Mijn hoofd zat al onder de blubber, maar speciaal voor de foto doen ze er letterlijk een schepje bovenop. Dan beginnen ze me te masseren. Het handtastelijke trio buitelt over me heen, handen en voeten glijden onder me door. Bij vlagen voelt het alsof de vulkaan onder me tot uitbarsting komt, kortom: ik kan gerust zeggen dat ik word verwend.
Aan alle vreugde komt een eind. Als we alle drie aan de kant staan en we bij het gammele kraantje alleen onze handen en voeten hebben afgespoeld en daarna onze teva’s hebben aangetrokken, zien we eruit als die grijs geschilderde ‘levende standbeelden’ op de Dam. We nemen afscheid van de Koreanen en beginnen we aan de afdaling naar het strand. Gaandeweg droogt de dikke kleilaag op onze huid steeds meer.

Bij het strand aangekomen zoek ik een afgelegen stukje op om lekker in mijn blootje te badderen. Het is nog flink poetsen om de modder uit je poriën te krijgen. Nadat ik daarna wel tien minuten lang mijn zwembroek heb staan uitspoelen, zoek ik Jelly en Jacoline weer op en wandelen we verder in de richting van onze huisjes.
Ik had er een zwaar hoofd in, maar ik heb een leuke morgen gehad. Aan de andere kant: laat je niet alles wijsmaken! Ik zou na afloop zo aaibaar zijn, weet je nog? Mooi niets van gemerkt. De hele verdere dag niet. Ook de nacht erna niet.