Verhalen 2018

Kampung Naga

Kampung Naga – Indonesië

Als we Kampung Naga binnenlopen, neemt onze gids Anton me meteen mee naar het grote, open gebouw aan de ingang van het dorp. Hij wijst op de enorme trommel die op een stellage tegen de gevel ligt. De eveneens groot uitgevallen klepel hangt aan een raamwerk ernaast.
Ik vroeg vanmorgen aan Anton of hier, op het platteland, criminaliteit voorkomt. Nauwelijks, was het antwoord. Binnen de kleine gemeenschappen al helemaal niet, en voor eventuele bedreigingen van buitenaf heeft elk dorp zijn maatregelen genomen.
           ‘I will show you when we are in Naga,‘ zei hij toen.
Zoals in veel dorpen op het platteland, heeft Naga een systeem waarbij het dorp elke nacht wordt bewaakt door een groepje mannen. Ze houden de wacht in het open huis bij de ingang en een paar keer per nacht maken ze een rondje om te kijken of alles in orde is. Niet alleen een eventuele ongewenste bezoeker, maar ook een beginnende brand wordt door hen onmiddellijk gesignaleerd. De mannen ontvangen hun loon in natura: op hun nachtelijke rondes door het dorp zamelen ze de bakjes rijst in die de dorpelingen voor hen hebben klaargezet.
Om de twee uur slaan de bewakers op deze zogenaamde kentongan, het is het teken dat alles veilig is. Mocht er wel iets aan de hand zijn, dan slaan ze ook op de trom, maar op een speciale, afgesproken manier – elke dorpeling weet het verschil tussen het ‘alles-is-veilig’ signaal en het alarmgeroffel. De grote drum wordt ook voor iets anders gebruikt: elke dag herinnert een speciale tromslag de vrouwen van het dorp eraan dat ze ‘de pil’ moeten innemen.

Kampung Naga ademt stilte en rust. Matrassen liggen op houten rekken te luchten en op de lage daken ligt de was te drogen. Op een bankje zit een vrouw iets te vlechten van pitriet. We worden gewaarschuwd om even om te lopen: hoog in een palmboom hangt een jongen kokosnoten te kappen. Met een doffe klap komt er af en toe een naar beneden.

Een wat oudere man gaat ons voor als we zijn huisje vanbinnen gaan bekijken. Altijd leuk, maar ook altijd een gênante vertoning: vijftien toeristen die fotograferend door je hutje banjeren. Ik zie het bij ons thuis al voor me: staan er op een goede morgen vijftien Chinezen voor de deur – nee, ze staan al in de tuin! – met de vraag of ze een rondleiding door ons huis kunnen krijgen. Aan de andere kant wordt de man ervoor betaald en aan zijn glunderende gezicht te zien is hij apetrots dat uitgerekend zijn woning voor het bezoek van deze Nederlandse toeristen in aanmerking komt.
Nadat we een trapje zijn opgeklommen, komen we in een ruimte met in het midden de verkoolde resten van een houtvuur: de keuken. De planken van de vloer waarop we staan, liggen zo’n drie centimeter uit elkaar. Het is met opzet gedaan. Alle etensresten gooi je gewoon naast je neer, waarna ze door de kieren netjes naar beneden vallen. Een verdieping lager ruimen de kippen, de honden en de varkens de boel op. Zou bij ons thuis ook handig zijn; het toeval wil dat zich onder onze keuken een grote kelderruimte bevindt waar we best wat kippen en varkens zouden kunnen houden. Na het aardappelen schillen of uitje snipperen veeg je de schillen gewoon van het aanrecht en na het eten schep je de kliekjes zo uit de pan op de vloer – even met je slipper eroverheen en de zaak is weer netjes. Bij het afgieten van de spaghetti wel oppassen dat je het hete water niet over je voeten giet.

Bovenstaand verhaal is een fragment uit De brommer met bami – Sumatra, Java & Bali