Verhalen 2019

Irene en Sandra

Monte Gordo (Algarve) – Portugal

Voor ons lopen twee echtparen van onze leeftijd. Ze hebben duidelijk dezelfde bestemming: hotel Dunamar. Uit een zijstraat komt nog een stel. Ook hen schat ik van onze leeftijd, iets ouder.
Met Dunamar in zicht voegen nog drie grijze echtparen zich bij de stoet vakantiegangers.
Gisteren, bij aankomst op het vliegveld van Faro werden we verwelkomd door een vriendelijke dame van Prima-de-Luxe Reizen. Ze wees ons hoe we bij de bus moesten komen en overhandigde ons een envelop met daarop de vermelding dat we vanmorgen om 10.00 uur worden verwacht op de informatiebijeenkomst in hotel Dunamar. In Monte Gordo aangekomen werd iedereen keurig afgeleverd bij het hotel dat hij had geboekt – bij ons hotel stapten met ons nog twee stellen uit.
Bij de ingang van de congreszaal worden we opgewacht door een jongedame in een blauw mantelpakje. We worden overdreven vriendelijk begroet, ontvangen twee bonnen voor een gratis kopje koffie, en krijgen eenzelfde plattegrondje van Monte Gordo als ook al in de envelop zat. Ik denk dat er zo’n vijftig mensen zitten als we plaatsnemen op de eerstvolgende lege rij. De mensen voor ons zijn zonder uitzondering, net als wij, zestig-plus.
Op de lege stoelen naast me schuiven twee vrouwen aan, ik denk dat ze de zeventig zijn gepasseerd.
         ‘Mag ik naast deze knappe meneer plaatsnemen?’ zegt ze.
Aha. Ook de andere mevrouw knikt me vriendelijk toe.
         ‘Ik maak maar een grapje hoor, meneer!’
Oh.
         ‘Ik zeg altijd: ”Je moet af en toe een grapje kunnen maken – haha!”’
Ik ga een beetje verzitten in de richting van mijn vrouw.
De nieuwe buurvrouw stoot me aan.
         ‘Mijn man is al vijf jaar geleden overleden – ja, dat was een knappe man. Nee, ik hoef geen andere man meer.’
         ‘Nou, goed dat u het zegt. Dan hoef ik niet mijn best te doen,’ grap ik.
         ‘Zij wil graag een man.’
Ze wijst naar de vrouw naast haar die van alles niets heeft meegekregen.
         ‘Wat is er?’
         ‘Ik zeg dat jij wel graag een man wilt. Ja hoor, zij lust er wel pap van!’
         ‘Nou, dan is het maar goed dat u er tussenin zit,’ zeg ik.
We moeten allemaal erg lachen.
 
Het mantelpakje pakt de microfoon: we worden welkom geheten op de informatiebijeenkomst van Prima-de-Luxe Reizen.
         ‘Mijn naam is, zoals de meesten van u inmiddels wel weten, Irene.’
         ‘Helaas heeft mijn voorganger Carina, u kent haar ongetwijfeld, een andere baan gekregen. Ik wil u daarom straks voorstellen aan Sandra. Ze lijken een beetje op elkaar. Sandra is ook heel lang en heeft ook zwart haar, dus dat moet lukken! Ha!’
Jelly en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Iedereen heeft op Irenes verzoek de papieren uit de envelop tevoorschijn gehaald, en terwijl ik me nog afvraag wat er de komende week precies met Sandra moet lukken, bedenk ik dat hier dus mensen zitten die a) al voor de zoveelste keer in Monte Gordo verblijven en b) ook al voor de zoveelste keer het verhaal van Irene, dan wel Carina, hebben aangehoord.
Irene lepelt haar verhaal uit het hoofd op, waarschijnlijk doet ze dat twee keer in de week. Ze wijst ons op de telefoonnummers op het ene papiertje die we kunnen bellen in geval van nood, en op de spreekuren waarop zij of Sandra in dit hotel aanwezig is, op een ander papiertje. Ik heb het gisteravond allemaal gezien: een uitnodiging voor een ‘sfeervolle Fado-avond’, folders van een fietsenverhuur, en van Laranja Tours met excursies ‘in de omgeving’ – wat te denken van een dag naar Lissabon op en neer, met als intermezzo tussen 325 kilometer heen en 325 kilometer terug een wandeling van twee uur door de hoofdstad.

Dan stelt Irene voor dat we allemaal het gele plattegrondje van Monte Gordo erbij te pakken. We hebben toch allemaal het plattegrondje? Iedereen wappert instemmend met het gele papiertje naar Irene.
         ‘Op het kaartje hebben we verschillende dingen aangegeven. We zitten nu in Hotel Dunamar, rechtsonder op het kaartje. Als u hier de deur uitstapt komt u op de straat. Als u dan die kant op gaat, loopt u in de richting van de restaurantjes en winkels.’
Ze houdt het papier omhoog en maakt een beweging met haar vinger van de hoek rechtsonder naar het midden van het kaartje. Ik stoot Jelly aan.
         ‘We gaan weg.’
         ‘Ben je gek, dat kun je niet maken.’
         ‘Ik ben nog niet gek, maar als ik hier nog vijf minuten blijf zitten, ben ik het wel.’
Ongelukkigerwijze zitten we middenin de rij. De weduwe naast me heeft haar beide steunkousen rechtuit onder de stoel voor haar gestoken. Haar geile vriendin hangt helemaal voorover, alsof ze – terwijl het eentonige verhaal van Irene luid en duidelijk uit vier luidsprekers links en rechts van ons komt – het beter zou kunnen horen als ze dertig centimeter naar voren buigt.
Irene gaat verder met het opnoemen van alle ‘nummers 3’ op het kaartje:
         ‘De nummers 3 zijn, zoals eronder bij de uitleg staat, de supermarktjes. De eerste hiervandaan gerekend is dus langs deze weg en dan vlak voor het casino. Als u daar rechtsaf gaat, is er nog een direct aan de rechterkant. Even kijken…, ja hier zit er nog één en hier.’
Om me heen zitten waarachtig stellen over het gele kaartje gebogen, waarbij in de meeste gevallen de vrouw zich door haar echtgenoot laat vertellen waar hij het volgende 3-tje op de kaart heeft ontdekt.
         ‘Ik krijg altijd veel vragen over pinautomaten,’ zegt Irene.
         ‘Ze staan niet op het kaartje aangegeven, maar ik weet zo uit het hoofd dat er…’
Je vraagt je af hoe wij kans hebben gezien om gisteravond al, zonder deze informatie op zak, boodschappen te halen bij een van de vijf supermarktjes en hoe wij het hebben klaargespeeld om volledig zelfstandig 150 euro te pinnen bij een van de ontelbare ATM’s die Monte Gordo rijk is.
Ik vis onze jasjes onder de stoelen vandaan, pak mijn rugzakje en ga staan. Jelly heeft weinig keus. Tijd om fatsoenlijk afscheid te nemen van mijn vriendinnen is er niet. Met veel gehannes wurmen we ons voor de halve rij mensen langs. De deur knalt veel harder open dan bedoeld, maar Irene gaat onverstoorbaar door. Op de gang staat een dame, in eenzelfde blauw mantelpakje als Irene, ons verbouwereerd aan te gapen: zwart haar en een half hoofd groter dan ik ben.
Ik durf Irene de komende dagen niet meer onder ogen te komen, en ik vrees dat – ondanks Irene’s optimisme in dezen – ‘het’ met Sandra op onze korte vakantie in de Algarve ook niet gaat lukken.