Oudere verhalen

De aanhouder vindt

Omg. Luxor – Egyptebij-de-aanhouder-vindt

Eigenlijk had de man veroordeeld moeten worden wegens grafschennis. Ook al hebben we na de plundering van het graf geen nabestaanden gezien die emotioneel in Hart van Nederland bevestigden dat hier inderdaad sprake was van een gruwelijke daad. Of het hier het zoveelste geval van zinloze vernielzucht betreft, laat ik graag ter beoordeling van de goden die nog elke dag over de Egyptische doden waken.
Wel of geen baldadigheid, ironisch genoeg wordt het geschonden graf na de plundering meteen het beroemdste graf ter wereld.
Ik denk dat zelfs de dode in kwestie de grafschenner dankbaar is – als zijn laatste rustplaats niet was opengehaald, zouden we nooit meer iets van hem hebben gehoord. Misschien is het toch terecht dat Howard Carter na zijn ontdekking, in plaats van een veroordeling, eeuwige roem ten deel valt.

De geldschieter van de speurtocht naar nieuwe graven in de Vallei van de Koningen, Lord Carnavon is amper weer thuis, als de postbode op zijn landgoed een telegram aflevert. Hij leest dat hij onmiddellijk weer naar Egypte moet komen en weet niet hoe snel hij zijn koffers, zijn emmertje en zijn schepje moet pakken. Samen met Carter had de Engelse aristocraat tien jaar lang de westelijke Nijloever bij Luxor uitgekamd en teleurgesteld in de missie heeft hij het een paar maanden geleden voor gezien gehouden.
Carter graaft onvermoeibaar door. Bij het blootleggen van een paar hutten op vier meter diepte ontdekt hij bij toeval twee treden, een derde, en uiteindelijk een trap van zestien treden. Het blijkt de toegang tot een verzegelde deur met daarop de afbeelding die verwijst naar een van de meest onbeduidende farao’s in de Egyptische geschiedenis, ene Toetanchamon. Carter heeft deze farao echter al langer in het snotje en weet meteen dat hij beet heeft. Getraumatiseerd door de plunderaars die hem op vorige zoektochten een slag voor waren, bedekt hij zijn vondst en rent als een speer – en ongetwijfeld trillend als een rietje – naar het plaatselijke postkantoor.
Waar wij een week geleden vanuit Nederland in minder dan vijf uur in Cairo stonden, moet de reis in 1922 iets langer hebben geduurd. Misschien dat eens in de maand een boot vanuit Engeland die kant op ging. Hoe dan ook, drie weken later staan de beroemde Engelse archeologen weer samen in de Vallei van de Koningen en verbreken ze de zegels op de opgegraven toegang.
Na drie dagen verder graven stuit het tweetal op een tweede deur, net als de eerste helemaal intact. Carter peutert een paar stenen los en schijnt in het donkere gat. Op Carnavons vraag wat hij ziet, antwoordt hij: ‘alleen maar schitterende dingen!’ Waar vrijwel alle graven in de vallei waren leeggeroofd lang voordat archeologen het in hun hoofd kregen ergens naar te zoeken, treffen de mannen in drie betrekkelijk kleine vertrekken zoveel kunstschatten aan dat ze jaren nodig hebben om alles te fotograferen, te documenteren en naar boven te halen.
Eenmaal in de grafkamer aangekomen, werken ze zich door drie, perfect in elkaar passende ebbenhouten kasten heen en vinden in de binnenste schrijn een sarcofaag gebeiteld uit één massief stuk kwartsgraniet. De binnenwanden van de bijna drie ton wegende bak zijn tot in de hoeken strak afgewerkt, alle maten tot op de centimeter nauwkeurig. De vier buitenhoeken zijn uitbundig voorzien van engelen die met hun beschermende vleugels de farao moeten beschermen op zijn reis door de onderwereld – dodelijke vleugels zo zullen we zien.
In de stenen bak zitten drie in elkaar passende sarcofagen. De buitenste is van verguld hout, de middelste is ingelegd met gekleurd glas en edelstenen. De derde en laatste weegt ruim 110 kilo en is gemaakt van massief goud. Nadat Carter & Co schil voor schil Toetanchamon van zijn jasjes hebben ontdaan en als laatste een eveneens massief gouden masker hebben verwijderd, staan ze oog in oogholte met de 3300 jaar geleden op negentienjarige leeftijd overleden vorst. Ik kan me voorstellen dat de mannen die avond niet onmiddellijk de slaap konden vatten.

Tegenwoordig wordt onder ‘de vloek van de Farao’ verstaan dat je al op de tweede dag van je verblijf in Egypte aan de diarree bent, maar vroeger werd de uitdrukking letterlijk opgevat. Op menig graf staat geschreven dat een ieder die de Farao in zijn slaap stoort, zal worden getroffen door de vleugels van de dood. Je kunt niet zeggen dat je niet gewaarschuwd bent.
God straft onmiddellijk, zegt men. De Egyptische goden zien het wat langer aan, maar toch zijn de grafschenners hun zuurverdiende loon niet ontlopen. Het goddelijke snelrecht treft Carnavon kort nadat hij de grafkelders betrad. Hij sterft aan de gevolgen van een muggenbeet. Ook Howard overkomt iets vreselijks. Op de dag dat ze het graf betreden, wordt zijn kanarie opgevreten door een cobra – allerminst toevallig, aangezien op het dodenmasker een cobra is afgebeeld. Tot slot: Howard is uiteindelijk ook overleden, voor mij het bewijs dat de Farao’s over hun leeggeroofde graven regeren. Ik hoop niet dat ze ook afrekenen met iemand die zich aan Carters vondsten vergaapt – in wezen ben je dan een heler. Het lijkt met een sisser af te lopen: ons bezoek aan de Vallei der Koningen en het Egyptisch Museum in Cairo is inmiddels bijna tien jaar geleden.